Jezus is volgens de christelijke leer is de eniggeboren Zoon van God en de door God in het Oude Testament (Tenach) bij monde van de profeten beloofde messias (o.a. Jesaja 53:3 en verder),[1] de ‘gezalfde’ van God, die de mensenverlost van hun zonden en de harmonie tussen God en mensen, die verbroken was als gevolg van de zondeval van de eerste mensen in het paradijs, herstelt. Volgens de Bijbel is Jezus geboren om de mensen te redden van hunzonden. Volgens de uitleg in de Evangeliën maakte zijn dood de verzoening met God de Vader mogelijk, doordat hij de straf voor de zonden van de mensheid op zich nam: Jezus is “het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.” De opvatting dat Jezus met zijn kruisdood de mens verzoent met God, wordt beschreven als verzoeningsleer. Het abrahamitische principe van de ‘rechtvaardiging door geloof’ kreeg daardoor een nieuwe betekenis: ieder die Jezus navolgt, zal voor God gerechtvaardigd (gerehabiliteerd) zijn.

Centraal in de theologie van het christendom staan: de in het Nieuwe Testament beschreven geboorte van Jezus (Kerstmis), zijn dood aan het kruis (Goede Vrijdag), de opwekking uit de dood (Pasen), de hemelvaart (Hemelvaartsdag), het neerdalen van de Heilige Geest op zijn discipelen (Pinksteren) en de terugkeer (de Wederkomst). In de christelijke traditie is altijd weinig aandacht geweest voor het optreden van Jezus tijdens zijn leven en de leer die Jezus verkondigde, dit ondanks dat een belangrijk deel van de betreffende bijbelboeken hier wel over gaat.

De opstanding uit de dood wordt door de meeste christenen letterlijk genomen. Deze gebeurtenis neemt in het Christendom een cruciale plaats in, omdat het voor hen de uiteindelijke overwinning van de dood, en daarmee een open toekomst, tot uitdrukking brengt. Ook Paulus noemt in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthe de letterlijk genomen opstanding van Jezus het centrale punt in het evangelie.